Het orgel


Geschiedenis van het (hoofd)orgel

Organist De oudst bekende gegevens dateren uit 1481, toen de bekende orgelmaker Johan ten Damme aan het orgel werkte. Uit een brief van de Magistraat van Zwolle blijkt, dat het instrument in 1505 voorzien was van een rugwerk. Het orgel diende toen als voorbeeld voor een nieuw instrument in de Zwolse O.L. Vrouwekerk. In 1629 en 1656 werden reparaties en wijzigingen uitgevoerd door leden van het orgelmakersgeslacht Morlet.

Kort na 1750 was het orgel in een dusdanige staat van verval geraakt, dat aan A. A. Hinsz door de Kamper Magistraat opdracht gegeven werd tot een ingrijpend herstel. Na de grootscheepse vernieuwing van het orgel van de Bovenkerk en de bouw van een klein orgel in de R.K. schuilkerk van St. Nicolaas was Hinsz voor de opdrachtgevers geen onbekende. In een nieuwe kas, ontworpen door C. Stromberg, werd een gedeeltelijk nieuw instrument gebouwd, waarin belangrijke delen van het oude orgel, zoals pijpen en mechaniek werden opgenomen. Nieuw werden de laden, de klaviatuur en registratuur, de windvoorziening en een deel van de mechaniek. Alles wijst erop, dat er uit een krappe beurs betaald moest worden. Zo werd o.m. de opbrengst van een gebarsten klok gebruikt om de kosten voor een deel te dekken.
Het orgel had na de ombouw de volgende dispositie:

Ondermanuaal Bovenmanuaal Pedaal
Praestant 8 voet Octaav 4 voet Trompet 8 voet
Quintadeena 16 voet Holpijp 8 voet
Fluitdous 8 voet Quintadeena 8 voet
Octaav 4 voet Fluit 4 voet
Gemshoorn 4 voet Superoctaav 8 voet
Mixtuur 4-6 sterk Gemshoorn 2 voet
Scharp 3-4 sterk Ged. Quint 3 voet
Sexquialter 2-3 sterk
Cornet 3 sterk
Trompet 8 voet

Opvallend is de opzet van het vernieuwde werk, die geheel afwijkt van die van de door Hinsz nieuw vervaardigde instrumenten. De dispositie heeft sterke verwantschap met de 17e eeuwse orgelbouwstijl: het ondermanuaal bestaat uit een prestanten-plenum, door Hinsz verrijkt met drie fluitstemmen: het bovenmanuaal heeft de dispositie van een 17e eeuws bovenwerk. Het pedaal met slechts een Trompet 8' behoort eveneens tot de 16-/17e eeuwse traditie.

Het is niet verwonderlijk, dat het orgel bij de teruggave van het kerkgebouw in 1809 eveneens in sterk vervallen toestand verkeerde. Nadat aanvankelijk de orgelmaker Freytag een plan tot herstel had gemaakt, werd aan de Amsterdamse orgelmaker Leonard van den Brink de opdracht gegeven, het orgel te herstellen, te verplaatsen en te wijzigen. Na deze ingreep had het orgel de volgende dispositie:

Groot Manuaal Klein Manuaal Pedaal
Quintadeen 16 voet Holpijp 8 voet aangehangen
Prestant 8 voet Fluittravers 8 voet disc
Bourdon 8 voet Prestant 4 voet
Octaav 4 voet Spitsfluit 4 voet
Fluit 4 voet Superoctaaf 2 voet
Quint 3 voet Woudfluit 2 voet
Octaaf 2 voet Sesquialter
Mixtuur 3-4 sterk
Cornet 3 sterk
Trompet 8 voet

Deze ingrijpende wijziging had grote consequenties voor de opstelling van het pijpwerk: de laden met pijpopstelling volgens het front kregen nu een plaats in de gewijzigde onderkas, waardoor een soort echowerk ontstond, terwijl de laden van het vroegere bovenmanuaal met hun pyramidale pijpopstelling achter het front kwamen te liggen.
De reeds in 1810 gewijzigde dispositie onderging in de 19e en 20e eeuw diverse wijzigingen, waarbij vooral de vulstemmen het moesten ontgelden ten voordele van grondstemmen. Plannen in de dertiger jaren van de 20e eeuw om het orgel te doen vervangen door een groot pneumatisch instrument vonden gelukkig geen doorgang. In 1943 ten slotte werd een Voix CÚleste op het klein-manuaal geplaatst, waarvoor een Tertiaan discant (ook een latere wijziging) moest wijken. Het pijpwerk van dit register, kennelijk ontleend aan oude registers, bleef bewaard.
In het kader van de kerkrestauratie is in de jaren 1974-1977 ook het orgel gerestaureerd. Na een uitvoerige inventarisatie van pijpwerk en andere onderdelen werd onder supervisie van de Rijksadviseur voor Orgels en van de adviseur namens de KKOR een restauratieplan opgesteld, waarbij de toestand van 1754 als uitgangspunt werd gekozen. Het werk is uitgevoerd door de orgelmakers Jos Vermeulen te Alkmaar. De gewijzigde onderbouw van de orgelkas onderging een facelift, waarbij ter hoogte van de positiefladen een pijpenfront werd aangebracht en de zijkanten door het aanbrengen van geprofileerde consoles slanker zijn gemaakt. De klaviatuur bleek nog in principe uit 1754 te dateren, al waren de toetsen en bakstukken in de 19e eeuw gemoderniseerd. Naar authentieke voorbeelden van Hinsz is een en ander gereconstrueerd. De schuifkoppel was enigszins gewijzigd en is nu in ere hersteld. De registerknoppen zijn door Hinsz-copieŰn vervangen.
De originele kleur, een lichte houtimitatie, werd onder diverse lagen teruggevonden en gerestaureerd, c.q. gecompleteerd.
De windladen zijn zorgvuldig hersteld en op hun oude plaats teruggekomen. De mechaniek is grondig hersteld, waarbij vrijwel alle oude onderdelen herplaatst konden worden. Er werd gekozen voor het aanbrengen van een bescheiden vrij pedaal, dat achter de orgelkas geplaatst zou worden. Het pedaalklavier is gemaakt naar de Groninger voet, waarbij de oude pedaaltoetsen van het versleten en later omgebouwde pedaalklavier model stonden. De vier oude spaanbalgen zijn hersteld en alle aangesloten.
Een probleem apart vormde de inventarisatie en restauratie van het oude pijpwerk. Aan de hand van de 16e, 17e en 18e eeuwse inscripties kon de toestand van 1754 nagenoeg geheel worden teruggevonden. De grotendeels oude roosters gaven belangrijke aanwijzingen voor de plaats der registers en voor de samenstelling van o.m. de Sesquialter. Het oudste pijpwerk heeft verlaagde opsneden, in verband met wijzigingen van de winddruk in de 17e eeuw en vooral in 1754. Uit enkele inscripties is duidelijk, dat het orgel in de 16e eeuw aanvankelijk op de toets F de toon C liet horen. Het was dus een F-orgel in C-stemming. In de loop der zestiende eeuw is die gewijzigd in een F-stemming op F. Uniek is het zeer oude Trompetregister, dat van f║ tot c"' uit zestiende eeuws pijpwerk bestaat. Eveneens opvallend is de extreem wijde mensuur van de Holpijp 8' van het positief. Het bovenmanuaal heeft twee laden met een diatonisch naar de zijkanten aflopende pijpopstelling. Het ondermanuaal heeft de acht grootste pijpen in het midden van de laden, de twee maal zeven volgende aan de buitenkanten in tertsopstelling, en de 27 kleinere pijpen eveneens in tertsopstelling. De frontpijpen zijn op enkele na ouder dan 1754. Hier volgen de bijzonderheden en opstelling van de pijpen op de laden.

Ondermanuaal, op fronthoogte.
  1. Prestant 8', C t/m. h' in het front, de rest op de laden, 16e eeuws.
  2. Quintadena 16', 1754 door Hinsz geleverd.
  3. Fluit dous 8', 1754.
  4. Speelfluit 4', 1754.
  5. Octaaf 4', Cis en Dis 1754, de rest 16e eeuws.
  6. Scherp 2/3', 3-4 sterk, nieuw.
  7. Mixtuur 2', 4-6 sterk, nieuw.
Bovenmanuaal, achter onderfront.
  1. Cornet discant, 3 sterk, 17e eeuws pijpwerk, samenstelling 1754.
  2. Holpijp 8', Cis en Dis 1754, C, D, E t.m. dis" vroeg 16e eeuws gehamerd pijpwerk met korte wijde roeren, e" t.m. c"' 17e eeuws ongehamerd pijpwerk, zeer wijd.
  3. Quintadena 8', 16e eeuws gehamerd pijpwerk, zelfde mensuur als fluit dous 8', meer een holfluit dan een quintadeen.
  4. Prestant 4', C, Cis, klein dis en g 1754, de rest vroeg 16e eeuws.
  5. Fluit 4', Cis en Dis 1754, C, D, E t/m h' 16e eeuws gehamerd, c" - c"' 17e eeuws, de hoogste in flesvorm.
  6. Gedaktquint 3', nieuw naar voorbeeld Bovenkerk Kampen.
  7. Gemshoom 2', idem.
  8. Octaaf 2', Cis en Dis 1754, C, D, E - c' ouder dan 1754, c" - c"' 1754.
  9. Sesquialter 2-3 sterk, gereconstrueerd naar de oude roostergaten; in de discant quint- en tertskoor oud, de rest nieuw.
  10. Trompet 8', C t.m. e║ 1754, Hinszfactuur met houten stevels en koppen, de rest 16e eeuws, metalen stevels, houten koppen en korte wijde snavelkelen.
Pedaal.
  1. Subbas 16', oud pijpwerk (Beekes, vroege 19e eeuw), door de restaurateurs geleverd.
  2. Octaaf 8', groot octaaf nieuw, de rest 19e eeuws pijpwerk, ontleend aan het orgel.
  3. Trompet 8', nieuw, gedeeltelijk naar het voorbeeld van de manuaaltrompet.

Manuaalomvang C - c"', pedaalomvang C - d', schuifkoppel, pedaalkoppel, Tremulant, 2 afsluiters. Van de wellenborden is dat van het manuaal door Hinsz omgebouwd. De oude omvang, van F - a", 38 tonen, is hierop nog af te lezen. De originele Hinsz-toonhoogte bedraagt ca. 1/4 toon boven normaal, de stemming is ontleend aan de originele pijplengtes van 1754 en is nagenoeg gelijkzwevend.
De winddruk bedraagt 70 mm.

Het klankbeeld is, ondanks de diverse facturen, zeer fraai met zangrijke en duidelijke prestanten. De fluiten, met name de 16e eeuwse, zijn groot en nobel van klank.
Bij het beluisteren van het instrument moet men zich wel realiseren, dat men geconfronteerd wordt met een 18e eeuwse conceptie, waaraan de oudere elementen een extra dimensie verlenen.

(Naar een artikel van Hans van der Harst, als adviseur betrokken bij de restauratie)

Terug naar boven


Het kleine (pijp)orgel

Het orgel heeft één klavier van vier octaven, een aangehangen pedaal van C t/m d', en is gelijkzwevend gestemd op a=440.

Over de geschiedenis is het volgende bekend:
Het orgel werd omstreeks 1970 gemaakt door medewerkers van de orgelbouwer Van Vulpen te Utrecht, in opdracht van ds. Wijnans, gereformeerd predikant te Ens, Noordoostpolder. Het instrument heeft daar in de pastorie gestaan tot 1987.
Vervolgens verhuisde ds. Wijnans naar Lemelerveld, waar het orgel niet in de pastorie geplaatst kon worden. Het werd doorverkocht en geplaatst in het koor van de Basiliek te Raalte.
In 1990 besloot men daar tot aanschaf van een electronisch orgel over te gaan en werd dit orgel overbodig. De heer J.M. de Ruiter, als intonateur werkzaam bij de firma Flentrop, kocht het orgel en plaatste het in het koor van de Grote Kerk te Zwolle.
Vervolgens vond het orgel in 1992 onderdak bij ds. Westland te Zwolle.
In december 1998 werd het orgel aangekocht door Ditty en Ton van den Berg en op 16 januari 1999 geplaatst in de Onze Lieve Vrouwe kerk te Kampen.
Op zondag 31 januari 1999 werd het feestelijk in gebruik genomen na de Mis van 10:30 uur met medewerking van Elise Huesmann, fluit, Timo de Kleine, klarinet, pastoor Hunink, viool en Ton van den Berg, orgel.

Terug naar boven


Andere instrumenten

Voor in de kerk staat een electronisch orgel. Dit orgel wordt gebruikt voor de kleinere bijeenkomsten waarbij muzikale begeleiding gewenst is.

In de noordbeuk is gewoonlijk een clavecimbel te vinden. Dit instrument wordt af en toe gebruikt bij uitvoeringen in de kerk.

Bij binnenkomst van de voorgangers wordt een bel geluid of tegen een gong geslagen. Deze bevinden zich beide vlak bij de doorgang tussen priesterkoor en sacristie.

In een eucharistie wordt tijdens de consecratie een meertonige handbel gebruikt.

Om dit lijstje compleet te maken noem ik hier ook nog de klokken in de toren. Aan het gelui kun je horen wat er aan de hand is. Tenminste, dan kon men vroeger. Tegenwoordig is die kennis niet meer algemeen aanwezig. Toch gelden nog steeds dezelfde regels en met een beetje oefening kun je horen of er opgeroepen wordt voor een kerkdienst of dat er een uitvaart aan de gang is.

Terug naar boven